Volgens de officiële cijfers zijn we toe aan de 47ste editie (geen race in 1988 en 2020), maar als we de vlaggen bekijken waaronder de Zolderse klassieker al die jaren werd verreden, zouden we komend weekend slechts de 46ste uitgave vieren: in 1983 heette de wedstrijd immers niét 24 Uren van Zolder, en won het duo Vanierschot-Raus de genaamde ‘3000 Km van Terlaemen’, terwijl datzelfde jaar de ‘24 Uren van Zolder’ werden betwist op Circuit Mettet! Dat had alles te maken met een dispuut tussen Circuit Zolder ofte de toenmalige sterke man Maurice Beliën en Philippe De Leener, zeg maar de geestelijke vader van de Zolderse race. Van bij de geboorte van de 24 Uren in 1977 zorgde De Leener voor volle starvelden – in ’81 telden we 109 inschrijvingen voor 55 plaatsen – en Beliën begreep snel dat dit soort racerij goed was voor de kassa, die hij evenwel liever zelf controleerde. Maar De Leener beschouwde zich, terecht, als de rechtmatige eigenaar van de 24 Uren, hetgeen dus in 1983 leidde tot een flinke rel en een verbod om de naam 24 Uren van Zolder nog te gebruiken…

Na het erkennen door RACB van de negen autosportprovincies – de Staatshervorming zou pas in ’95 Brabant splitsen – volgde zeer vlug de overkoepeling door VAS (Vlaanderen) en ASAF (Wallonië). Wellicht gedreven door een stille wens naar onafhankelijkheid – Beliën lag voortdurend in de clinch met RACB -, werd VAS een natuurlijke partner van Circuit Zolder. Het aan de basis Waals-Brabantse Rétrorganisation zag zich hierdoor steeds meer vervangen door eerst NOTAP (wat stond voor Nationale Omloop Trofee voor Amateurpiloten) en later ICC (Interregionaal Circuit Championship). Steeds andere namen, maar dezelfde deelnemers met zeer liberaal uitgebouwde auto’s en kleinschalige regionale getinte meetings met 3 uur-races, sprints, Pro-Formula én de 24 Uren van Zolder.
In ’90 volgde een major sponsor: het Zolderse kampioenschap heette voortaan BBL Cup. Vanaf ’92 werd dat Carglass Cup, met nog steeds de 24 Uren van Zolder als hoogtepunt van het seizoen. Een nationale erkenning van de Carglass Cup kon niet langer uitblijven. Na het failliet van de Belgian Procar – zuivere sprints met Supertoerisme en later Superproduction – maakten Belcar en de 24 Uren van Zolder integraal en zelfs exclusief deel uit van het Belgisch circuitkampioenschap.

In tegenstelling tot wat we de laatste jaren veelvuldig te zien kregen in, aub, Belcar, BTCS, BRCC, BGDC, Creventic, Super Car Challenge, was er in de jaren zeventig geen overvloed – lees overmaat – aan enduranceraces waar twee of meerdere rijders een autootje konden delen. De enige uitzondering op die regel bestond in de piratenorganisaties zoals de befaamde 6 Uur van Zolder, bekend voor de bonificatieronden, waarbij ‘kleine’ auto’s van de bij de start extra-ronden kregen toegekend, of clubdagen zoals de 3 Uur van Excelsior, de Paasraces van de Brusselse Toison d’Or, de Dag van de Nationale Renstallen. Om de stiel te leren, konden debutanten trouwens enkel terugvallen op zulke clubdagen of Zolderse avondtrainingen (jawel!). Op uitzondering van de éénmalige (en nationale) 12 Uren van Zolder – gewonnen door de Mini van Vernaeve-Deprez – moest men sinds 1964 voor racerij van langere adem in de moderne 24 Uren van Francorchamps zijn. En dan nog diende men over de vereiste vergunning te beschikken om te mogen starten, laat staan weerhouden te worden door het selectiecomité!

Journalist Philippe De Leener had met succes deelgenomen aan het Nationaal Criterium, waarvoor men punten mocht indienen die werden behaald in rally, slalom en bergklims, en behoorde nadien ook op circuit in de Ford Escort Mexico Trophy – een merkencup, de Fiesta Cup avant la lettre! – en de latere Simca Cup tot één van de hoofdrolspelers. De Leener had zich voordien binnen de RAC Junior (zeg maar de jongerenafdeling van RACB) al ontfermd over het organiseren van oriëntatieritten zoals de 4 Uur van Brussel en hij wist wat er leefde bij de amateurs. Hij besefte dat er in België plaats was voor clubraces, zoals in de UK. Toen de Benelux Bekers in 1974 werden geannuleerd, rook hij zijn kans om een plekje op te eisen in de bestaande hiërarchie in de nationale autosport (de provinciale autosport, lees piraten, was nog niet hervormd). Hij wist immers dat hij met zijn ‘Bekers van de Hoop’ van zijn Rétrorganisation hoog zou scoren: op het Waals-Brabantse, ondertussen geheel verdwenen circuit van Nijvel kregen beginnende rijders de kans om met bescheiden autootjes van allerlei slag de eerste meters te beleven op circuit. Later bekende namen zoals Pierre-Alain Thibaut, Jean-Michel Martin, Dirk Vermeersch, Patrick Slaus, Philippe Ménage en zelfs Eric van de Poele leerden daar de eerste knepen van het vak. RACB vertrouwde het zaakje niet helemaal en stuurde anonieme observators naar Waals-Brabant. Eén van hen was sportcommissaris (en rijder) Freddy Semoulin en hij kon enkel aan de Aarlenstraat rapporteren dat alles prima was verlopen en De Leener felicitaties diende te krijgen van ‘den bond’!

Maar De Leener zwoer aanvankelijk bij het zuivere sprintwerk. Na een eerste 3 uursrace bleek de mayonnaise zeer goed te pakken: net zoals bij de (Antwerpse) 6 Uur van Zolder konden ‘kleinere’ deelnemers – zeg maar financieel minder krachtige rijders – dankzij een regelmatig ritme opschuiven in de eindrangschikking. Na de organisatie van enkele 3 en 6 uursraces, koos De Leener in 1976 voor de 2 x 8 Uren van Nijvel, omdat er ’s nachts niet mocht gereden worden op Nijvel. Maar een échte 24 Uren à la Francorchamps sprak meer tot de verbeelding.
Als goed geïnformeerde autojournalist had De Leener weet van het bestaan van een toelating om ter gelegenheid van de Ronde van België een nachtelijke etappe te organiseren op Circuit Zolder. In ’74 vond de laatste Ronde van België plaats – gewonnen door Jean-Marie ‘Didi’ Cols-Lopes, voor Darimont-Nijs en kampioenen Plas-Maes – en De Leener vernam drie jaar later dat die toelating nog steeds gold, dus ook om ’s nachts te blijven racen. Zo werd het mogelijk om tijdens het weekend van 6 en 7 augustus 1977 de allereerste 24 Uren van Zolder te organiseren!

Het ontstaan van de 24 Uren van Zolder heeft alles te maken met de onmogelijkheid om een échte 24 uursrace te organiseren op het ondertussen verdwenen Circuit van Nijvel en niét omdat de activiteiten daar werden stopgezet (tot en met ’79 vonden er nog races plaats die meetelden voor het BK Circuit).
Op verschillende Wikipedia-pagina’s blijft men schrijven dat de eerste editie van de 24 Uren van Zolder werd betwist in 1976 of zelfs 1983, maar het is wel degelijk in 1977 dat er 50 auto’s aan de start verschenen en 35 deelnemers de eindmeet bereikten, met helemaal vooraan de Autobianchi A112 Abarth van Baudouin Corbiau-Rudy Frahm-Dirk Vermeersch, die liefst 23 ronden meer telden dan de Toyota van Salvo-Simon-De Bilde. Het was precies omwille van de ruime kansen van een kleinere, minder snelle, maar betrouwbaardere en vooral betaalbare auto om zich goed te plaatsen in het klassement van een endurance, dat er steeds meer deelnemers van Rétrorganisation het zuivere sprintwerk inruilden voor de endurance…

In ’78 moest het eerder winnende trio Corbiau-Frahm-Vermeersch vroegtijdig afhaken en de eer van het Corzy-team kwam daarop in de handen van Mauriën-‘Toucheur’-Gilaude in de andere Autobianchi – met mijn broer Paul Toucheur als tweede man -, maar zij vermochten niets tegen de pk’s van de winnende BMW 2002 van Hoebeke-Hoebeke en de later betreurde Dilbeekse Erwin Vandenbroeck en de Alfa GT van Boucher-Langenscheid. In ’79 verloren Corbiau-Gilaude-Frahm in de A112 nipt van dezelfde 2002, met dan Philippe Hoebeke, François Xavier Boucher en Roger ‘Publiaplic’ Bertrand.
In ’80 bewezen Luc en vader Jos Reusens, bijgestaan door Jos Stolck, dat er met een strikt serie-BMW 323i voor de eindprijzen kon gegaan worden. Leuk om te weten is dat zoon Luc deze auto gebruikte voor zijn alledaagse verplaatsingen en hij zich hiermee ook via de openbare weg van en naar Zolder begaf. Een gelijkaardig verhaal in ’81, met deze keer Dirk Vermeersch als derde man en opnieuw Julien ‘Juma’ Mampaey als orkestleider van de BMW-troepen.

In 1982 verscheen er een Porsche aan de start in de 24 Uren en brak aldus een eerste tijdperk aan van de komst van dikkere machines. In de 944 – in werkelijkheid de auto van mevrouw Frahm – stond het trio Frahm-Minnebo-Vermeersch tot in het 22ste uur op een tweede plaats, achter de later winnende Opel Kadett van, jawel, Dirk Van Rompuy, vader van, Paul ‘Yupi’ Darden en Marc Flamand. Het betekende het begin van een langdurende Porsche-story in de Zolderse etmaalrace, met in ’89 de eerste triomf voor de Carrera Motors 911 en vorig jaar een twintigste succes van Porsche in de 24 Uren van Zolder! De komst van nogal wat BV’s – de Wauters-broers, het onuitgegeven trio Dany Verstraeten-Daisy Van Cauwenberg-Peter Baert en later Joyce De Troch, Walter Grootaers en zelfs Tom Lenaers – zette de 24 Uren van Zolder sterk in de picture en dan vooral in de Vlaamse ‘boekskes’ en dito kleine schermen.

Precies in het jaar dat Belcar een nationaal kampioenschap werd, opteerde Spa nog voor de goedkopere Procar 2000. Vanuit de Belgian Procar stroomden merkenimporteurs zoals Peugeot, Renault en Honda in ’98 met ‘kleinere’ auto’s door naar de Procar 2000 én de 24 Uren. Zonder Audi. J.G. Mal-Voy, de flegmatieke en betreurde G.O. van de Belgian VW Audi Club, zag geen brood in het promoten van een auto uit het populaire segment 2 en koos ervoor om de ex-Procar Audi A4 quattro in te zetten in de Belcar, met volle aandacht en ondersteuning van de marketing van Audi voor het programma in Belcar/24 Uren van Zolder! Dat de vierwielaangedreven Audi A4 één jaar later de Zolderse klassieker won, droeg extra bij tot het populariseren van de 24 Uren, met dito media covering in zowel het Noorden als het Zuiden van het land.

Belcar én de 24 Uren van Zolder stonden al die tijd synoniem voor het mooiste wat de Belgische autosport te bieden had. Onder invloed van het in ASAF geboren en door RACB erkende BTCS kreeg Belcar evenwel een concurrent die uit hetzelfde vaatje (endurance, GT, toerwagens) tapte. Toeval? Anno 2025 verliest (opnieuw) Belcar potentiële deelnemers aan een ander Belgisch circuitkampioenschap, met name het BGDC – voordien GDC, totdan een ASAF-gebeuren – dat op gelijkaardige auto’s/rijders mikt…
Gezond verstand leidde toen tot het splitsen van Belcar (GT) en Toerisme (BTCS), mét uitzondering voor de 24 Uren van Zolder en de dan populaire 12 Uur Spa BTCS. In 2007 gaf Circuit Zolder de Belcar uit handen en die nieuwe promotor liep niet hoog op met de ‘mix’ in de 24 Uren. Het aantal deelnemers liep drastisch terug en er werd te weinig rekening gehouden met de amateurs die het gros van het veld vertegenwoordigden. Om voldoende kritische massa te hebben, was zich beperken tot één enkel type, in casu GT3, niet de aangewezen weg. Belcar en 24 Uren Zolder zaten daarop op een dood spoor. Kronos Events werd nog door RACB aangezocht om het circuitgebeuren – lees BRCC – nieuw leven in te blazen, en het was uiteindelijk onder impuls van ervaren Andy Jaenen dat de Belcar én de 24 Uren een tweede adem vonden.
