Met het heengaan van Freddy Semoulin verdwijnt een Monument uit de Belgische autosport en blijft de familie Semoulin wezenloos achter, want hij was het die de autosportmicrobe overdroeg aan broer Alain, zijn zoon Yves en later Benoît en François, de zonen van Alain, en al die tijd als een Pater Familias waakte over het reilen en zeilen van de Dynasty van Thulin, ook de thuishaven van het familiaal papierverwerkende Semoulin Packaging.
Lang voordat ik als beginnend journalist’tje kennismaakte met dan nog Belga-rijders Alain en Freddy Semoulin had ik langer weet van het bestaan van de racende familie uit Thulin. Dat had alles te maken met de Slalom van Thulin, traditioneel verreden op 1 mei en jarenlang zowat de “Grote Prijs” in de autoslaloms. Het was dan ook zo’n beetje de Slalom van… Semoulin! Gezien mijn broer Paul de BRC-slaloms – piratenkampioenschap, lang voordat RACB de provincies erkende – in 1973 had verruild voor het Nationaal Kampioenschap (en hiertoe lid werd van Nationale Renstal Excelsior) en er een overaanbod was aan sterk georganiseerde slalomwedstrijden, stipte hij op de kalender ook de Slalom van Thulin aan. Met een tracé dat doorheen de dorpskern van Thulin liep – en technische keuring in de gebouwen van Semoulin! – wagenpark en finish vlakbij het marktplein, stond 1 mei in het nochtans ‘rood’ gekleurde dorp volledig in het teken van die autoslalom. Toen wij voor de eerste keer naar Thulin afzakten, prijkte Belgisch slalomkampioen Alain Semoulin evenwel niet meer op de deelnemerslijsten van zijn thuisrace: in ’72 zou Alain achter het stuur van een Lotus Elan voor de vierde achtereenvolgende keer Belgisch kampioen worden, na eens te meer een ferme strijd met Georges Van Herweghe en (eerder) de later betreurde Georges Staepelaere, broer van.

Alain Semoulin over die slalomjaren: “Ik was uitgekeken op het poortenspel en de lancering van de Ford Escort Mexico Trophy kwam als geroepen, want dat was een ideale leerschool om met gelijkaardige auto’s het racen op circuit onder de knie te krijgen. Mijn vertrek in slalom liet Van Herweghe alvast toe om eindelijk voor de grootste beker te kunnen gaan (lachend)!”
Ook mijn broer leerde in slalom de knepen van het vak alvorens over te stappen naar de circuitracerij (zie Renstal Excelsior/Mijn broer Paul Toucheur). Omdat je in slalom met een standaard-autootje – geen rolkooi, enkel terplaatse slicks opleggen – kon meedingen naar de overwinning in een groep 1-klasse, verdedigde mijn broer nog steeds zijn kansen met zijn persoonlijke A112. Wat mezelf betreft: om één of andere reden vergezelde ik in ’77 mijn broer richting Thulin om er éénmalig – ik verkreeg C-vergunning #2662 – aan de start te verschijnen van een nationale slalom!
Parallel met mijn broer zijn Nationaal slalomdebuut bleven wij trouwe toeschouwers van races op Circuit Zolder en waren wij tijdens de Grote Prijs van Zolder vanop de tribune aan de overzijde van de pitlane getuigen van de crash en het langdurende tollen van de Escort gr. 2 van dezelfde Alain Semoulin, dan in strijd verwikkeld met de Alpine van Albert Vanierschot. De fans van Michel Vaillant konden niet veel later het voorval herbeleven…

Zei Freddy hierover: “Jean Graton (de geestelijke vader van Michel Vaillant, nvdr) was goed thuis bij Ford en zo leerden we elkaar beter kennen. Ik hielp hem bij het uitwerken van de technische gegevens van de circuits die hij in de verhalen van Michel Vaillant gebruikte. En, ja, plots verscheen ik in één van de strips. Net zoals Gilbert Staepelaere, Yvette Fontaine en ook broer Alain.”
Bij mijn prille eerste stappen als medewerker van Keesing Auto Magazine hield ik mij vooral bezig met de éénzitterij en de promotiecups en zat aldus niet op de eerste rij tijdens het debuut van de Belga Capri’s. Niettemin kon ik de redactie ervan overtuigen om mij datzelfde jaar vier pagina’s toe te kennen voor een Q & A met de vier circuitkampioenen, Michel Deyne (Productie -1600cc), Claude Bourgoignie (Omloop +1600cc), Albert Vanierschot (Omloop – 1600cc) en dus Alain Semoulin (Productie +1600cc) onder de kop ‘We Are The Champions’. Het was de eerste keer dat ik weliswaar telefonisch contact had met de voormalige slalomkampioen!

Doordat ik door de redactie in ‘81 werd uitgestuurd om op mijn ééntje verslag uit te brengen over de 24 Uren – het duel tussen de Bastos Juma BMW van Joosen-Vermeersch-Andruet en de later winnende Mazda RX7 van Walkinshaw-Dieudonné – had ik het in mijn verslag ook over het einde van de heerschappij van de totdan alleswinnende Belga Capri’s – Spice-Tassin 8ste; Semoulin-Snobeck-Dex, 9de, Martin-Martin 13de – en ging ik hiertoe poolshoogte nemen bij de Martin-broers en de familie Semoulin.
Het zou de laatste keer zijn dat Freddy aan de start verscheen in Spa.
“In één van de laatste races in Zolder dat jaar was ik nogal onhandig van de baan gesukkeld, ik voelde dat ik niet langer meekon met de jongeren en vond het verstandig om ermee te stoppen,” blikte Freddy terug op zijn laatste wapenfeiten. “Ik besloot een laatste keer aan te treden in een Productie-race in Montlhéry, omdat de Franse Productie-racerij mooie startvelden trok en ik altijd graag bij onze Franse vrienden heb gereden. Ik eindigde 4de, het was allemaal goed geweest.”

Met het in ’82 lanceren van de nieuwe Groep A stond de Capri niet meteen met stip genoteerd, maar Semoulin slaagde er niettemin in om, zonder Belga, opnieuw voor de Belgische titel te gaan. In de 24 Uren kregen zij versterking van Dirk Vermeersch, totdan smaakmaker bij Joosen Juma BMW. Doordat ik als journalist voor Dirk de taken waarnam van woordvoerder/public relations/manager vertoefde ik tijdens het weekend in de Ardennen veelvuldig onder het tentzeil van de Ford-formatie en leerde ik de familie, Freddy op kop, beter kennen.

Terug naar Thulin, samen met fotograaf Fred Bayet, in ’84, nadat Semoulin-De Dryver-Pirenne twaalf maanden eerder de goede, oude Capri in Spa naar 4de plek brachten, was Alain rijp voor een eerste Privé in het onvolprezen Auto & Sport-maandblad. Om eens te meer de rol van The Family te benadrukken poseerde Alain, samen met zijn ondertussen betreurde echtgenote en zoontjes François en Benoît aan de voordeur van de ouderlijke woonst.
Als coach van broer Alain en later zoon Yves bleef “Alain Dex” alomtegenwoordig. Na de Capri Belga volgde de Escort Turbo en de Sierra Cosworth in de kleuren van Boule d’Or, waarmee Alain Semoulin zich eens te meer opwierp als een zware rivaal van Jean-Michel Martin. Een titelstrijd die niet altijd even sportief verliep waarbij zowel Semoulin als Martin meer dan eens tot het uiterste gingen. Zo herinneren we ons de Zolderse finale van het BK in ’86 waarin Martin hulp kreeg van BMW-maatje Eric van de Poele om hoger te finishen dan Semoulin en Martin uiteindelijk in de remzone aan de Jacky Ickx de Escort letterlijk de pas afsneed. Twaalf maanden verder kregen we in de stratenrace rondom het Brusselse World Trade Center een herhaling van de bitse titelstrijd: Martin won Race 1 maar in zijn haast om na de start de meute voor te blijven, geraakte hij ‘gewrongen’ tussen andere auto’s en de betonnen afsluiting, beschadigde zodanig de Waterloo Motors M3 dat hij in de herstart achteraan diende plaats te nemen. Semoulin had voldoende aan een tweede plaats – achter ‘guest’ Duez – om Martin van de kroon te houden.

De veelvuldige interventies – bij koersdirectie, bij de officïelen – van Freddy als zeg maar advocaat van broer Alain en zijn onafscheidelijke cowboyhoed, inspireerde mij om het in mijn stukken steeds te hebben over ‘de sheriff van Thulin’. Twee petten dragen, dat deed hij meer dan eens gezien hij, naast vergunninghouder/rijder totdan ook functioneerde als sportcommissaris, aldus nauwe contacten had met ‘den bond’ en vanuit die positie wel eens meeschreef aan de spelregels.
“Ik was een tijd voorzitter van de Unie van de Belgische Renstallen, ik had goede contacten met RACB en vaak vroeg men mij als ervaren rijder om advies. Het klopt dat ik niet altijd vanuit de juiste positie handelde en dat sommige beslissingen kritiek uitlokten bij de tegenpartij. Te meer daar wij voortdurend wonnen. Het maakte ons niet altijd even populair.”

In ’88 koos iedereen voor de potente Sierra Cosworth – zelfs Jean-Michel Martin! – en vormde Thierry Van Dalen in de Audi 200 Turbo Quattro de enige rivaal van het Ford-armada. Alain Semoulin was evenwel de enige die het potentieel van de Sierra tenvolle wist te benutten en alzo zijn zesde Belgische titel versierde. Niettemin verkoos hij het stuur aan de haak te hangen.
“Alain had er echt genoeg van,” stelde Freddy over het afscheid van zijn broer. “Jacques en Patrick, mijn twee andere zonen, hadden wat ervaring opgedaan in de Escort Star Cup, maar dat volstond niet om hen te droppen in de Sierra. Wij hebben dan Philip Verellen aangetrokken om ploeg te vormen met Yves en dat was een goede formatie: wij toonden dat Philip werd beschouwd als een volwaardig lid van de “familie”.”
Na de eerdere intro via Dirk Vermeersch verkreeg ik met Philip binnen de rangen van Semoulin nog betere contacten en het feit dat ik voor de nieuw gelanceerde Belgian Procar de persdienst waarnam, maakte dat ik vanop de eerste rij het einde beleefde van de Sierra ‘made in Thulin’.

Het in die Procar verbannen van de turboaangedreven auto’s betekende immers dat de totdan succesvolle associatie Ford-Semoulin Racing niet meer voor de knikkers meespeelde. Semoulin deed vooralsnog nog een poging om een atmo-Sierra te runnen, maar zij waren kansloos tegenover de potente BMW M3 en Audi V8. De elektronica nam steeds meer belang in en zij konden niet terugvallen op de steun of know-how van de Ford-technici. Omdat Thierry Tassin met die atmo-Sierra had gereden, vroeg hij Semoulin om de Schnitzer-BMW tijdens de races van de Procar 91 te runnen. Ook daar kon Semoulin nadien met de overstap naar de FIA-tweeliter en de inmenging van BMW technisch en financieel niet meer volgen. Semoulin Racing was té klein en had trouwens nooit de ambitie om een zelfbedruipend bedrijf te worden. Nadien deelde Yves nog even in de Carglass Cup een Escort met Patrick de Schaetzen en in ’94 ontfermden zij zich in de Procar over de Carina-tweeliter die François soms deelde met Philip Verellen.

Het was precies de komst van een minder sterke Semoulin Sierra die mij aanzette om, voor de aanvang van die Procar 90, opnieuw richting Thulin af te zakken voor een Privé mét vader Freddy en zoon Yves. Om de Privé te kunnen blijven voorzien van spraakmakende interviews, besloten we immers racende vaders/zonen samen rond de tafel te brengen, en was er al eerder vader Rudy en zoon Karl Frahm, vader Hubert/zoon Omer Saelens en nadien buitenlandse vedetten zoals Ravaglia, Percy, Cecotto, Pirro, Giroix.
Een unieke gelegenheid om het met Freddy/Alain Dex nogmaals te hebben over ‘à l’index’!
“Mijn vader wist dat ik deelnam aan slaloms, maar dat vond hij niet gevaarlijk. En toen ik, via Jean Wauters, mijn debuut kon maken in de 1000 Km van de Nürburgring, werd dat voor mijn vader de “Slalom van de Nürburgring”! Onder vrienden werden er dikwijls grapjes gemaakt over mijn “slaloms” en het feit dat mijn vader vroeg of laat de waarheid zou achterhalen en ik “op de index zou komen te staan van alles wat toen verboden was”. Het Franse “à l’index” werd zeer vlug door iedereen omgevormd tot “Alain Dex” en ik verkreeg een passende schuilnaam! Enfin, ik dus naar de Nürburgring als co van Teddy Pilette, toen al een grote naam, terwijl ik nooit de Nürburgring had gezien. Drie rondjes verkennen moesten volstaan. Ik haspelde mijn beurten af, maar vertrok nog voor het einde van de race: ik had mijn vader beloofd op tijd thuis te zijn! Het resultaat – 32ste dacht ik mij te herinneren – vernam ik via de radio: daar maakte men melding van de deelname van Alain Dex, beter gekend als Freddy Semoulin. Mijn vader had dat bericht gehoord…”

Een (letterlijk) rode draad in het verhaal van Semoulin is natuurlijk de komst van Belga. Het waren de Martin-broers die in 1978 Belga in de autosport brachten, maar toen Alain Semoulin in een Castrol-Capri de eerste races in Zolder domineerde, gooiden Ford, Belga en Castrol het op een akkoord om voortaan de familie Martin én Semoulin onder te brengen in het Belga Castrol Team.
Een eerste seizoen dat op de piste resulteerde in de veelbesproken boksmatch tussen “Alain Dex” en Willy Braillard tijdens de EG Trophy.
Freddy hierover: “Voor de start vernam ik van een mecanicien dat Willy zou gezegd hebben “dat Alain maar best de zijruit zou laten openstaan, want dat de kans bestond dat hij “glas zou eten”. Dat was voor mij een signaal om het op te nemen voor mijn broer. Te meer daar Braillard niet aan zijn proefstuk toe was en steeds ongestraft zijn gangetje kon gaan. Ik heb de kopmannen opgewacht en toen de BMW passeerde in de Haarspeld heb ik een tik verkocht: ik zocht achteraf geen uitvluchten en gaf ruiterlijk toe dat ik Braillard in de Haarspeld opzettelijk van de baan had geduwd… “

Nadien “vergreep” Braillard zich aan broer Alain, door hem herhaaldelijk van de baan te drummen. Zowel Braillard als Freddy werden voor de feiten door de sportrechtbank van RACB gestraft met een schorsing van één jaar. Dat Freddy als sportcommissaris allesbehalve een voorbeeldfunctie had gehanteerd, speelde zeker mee in de strafmaat en zou hem ook doen afzien van verdere officiële functies. Hij was als rijder uiteraard perfect geplaatst om in een College beslissingen, straffen te wikken en te wegen, terwijl zijn collega’s nooit eerder achter het stuur hadden gezeten, laat staan ervaring hadden in de racerij. Die instelling motiveerde Freddy om zich uitermate positief uit te laten over de organisatie van de allereerste Bekers van de Hoop van Rétrorganisation op Circuit de Nivelles, terwijl anderen hadden gedreigd met sancties, het intrekken van de vergunning van RACB-rijders die het zouden hebben gewaagd aan de start te verschijnen van de allereerste races voor amateurs, met dank aan Philippe De Leener.
Na het afscheid van de Semoulin-broers en ook zoon Yves, verdween de naam van Semoulin niet van de autosportscène. Via Kronos Events was ik betrokken partij in het nieuwe BRCC, zeg maar Belcar/BTCS in een nieuw kleedje, en voor de zuiver door Kronos georganiseerde meetings was er een akkoord met het BGDC voor het delen van track time. Daarin traden Benoît en François Semoulin aan in een Clio. De komst van de (niet echt reglementaire) ex-Supertoerisme BMW’s 320 in BGDC maakte dat de autootjes à la Clio nog enkel voor de bloemen in de klasse konden gaan en ik herinner mij nog levendig dat vader Alain Semoulin zich hierover bij mij bekloeg en hen uiteindelijk geen andere keuze bleef dan de Clio te verruilen voor de krachtigere Peugeot RCZ. Daarop oriënteerde Semspeed zich naar een ambitieus programma in de Lamborghini Super Trofeo (met in 2022 de titel als beste amateurs).

