Ik krijg steeds vaker de vraag hoe het te rijmen valt dat ik afstudeerde aan de hotelschool en nadien, out of the blue, full time autosportjournalist werd! Op de lagere school behaalde ik steeds goede punten bij het vak opstellen en op de nabijgelegen Duffelse De Beunt-verkaveling speelden wij onze Tour de France en was ik zowel renner als de ‘stem’ van wielercommentator Fred De Bruyne, maar in niets leek ik voorbestemd om van journalistiek mijn beroep te maken.

“Wijckmans”, klonk de vragende stem van mijn leraar Nederlands Snyers toen hij ontdekte dat ik stukjes schreef voor het tweetalige Rétrorganisation-blaadje, gevolgd door zijn opmerking dat ik niet écht op mijn plaats zat in de PIVA-school. “Wat doe jij in hemelsnaam in de hotelschool?” Het moet niet tot mij zijn doorgedrongen, want ik heb er nadien, ook niet met het diploma op zak, aan gedacht om de koksmuts te verruilen voor iets anders. Nochtans zat ik dan al tot over mijn oren in de autosport, schreef dus voor Rétro en… verslond elke maand het Franse Echappement-autosporttijdschrift! Bij nader inzien lag het Duffelse Netegids-reclameblaadje aan de basis van wat ik voor den brode zou doen tussen 1979 en 2019. In Netegids verschenen korte stukjes over de prestaties van Duffelse sport’ers – voetbal, wielrennen, atletiek – en omdat mijn zes jaar oudere broer Paul in de autoslaloms meedeed en hij nooit ter sprake kwam, ging op zekere dag aanbellen bij uitgever Vermeylen aan het Duffelse Ganzenkoor. Hij was meteen akkoord dat ik regelmatig enkele lijntjes zou schrijven en in de bus gooien.

Gelijkaardige aanpak bij Gazet van Antwerpen, maar dat liep toch wel anders uit en mijn bezoek aan de redactie aan de toenmalige Nationalestraat zou uiteindelijk een niet onbelangrijke rol spelen in het bepalen van mijn leven als autosportjournalist. In De Frut werd weliswaar heel veel geschreven over nationale en regionale autosport, die stukken werden ondertekend door een zekere WR, maar omdat het nooit ging over mijn broer/de slalomrijder, ging ik mijn beklag doen bij toenmalig hoofdredacteur Marcel Van Bergen! Als ik er nu aan terugdenk, de indrukwekkende redactieruimte opnieuw voor mijn ogen opdoemt en dat jong ventje – 15 jaar of zoiets – zie binnenstappen in ‘het kot’ bij de imposante figuur van de ‘chef’, vraag ik mezelf af hoeveel lef ik wel moet gehad hebben om die stap te durven zetten. “Dus, jij kan dat allemaal beter”, waren de woorden van Van Bergen. Er meteen aan toevoegend: “en wat ga je doen als je broer niet deelneemt en je niet op de hoogte bent van wie er gewonnen heeft?”. Daar had ik geen antwoord op. Om één of andere reden stuurde hij mij niet wandelen, en stelde voor dat ik op zondagavond of later de nodige informatie zou doorbellen naar de verantwoordelijke journalist, die dan op basis van mijn ‘verslag’ een stuk zou plegen voor de Gazet. Enkele dagen later rinkelde thuis de telefoon. Een zekere Rombauts, Walter Rombauts, voor jou, riep mijn vader toen hij de telefoon opnam. Hij liet mij verstaan dat hij duidelijk de boodschap had doorgekregen van de chef sport en er werd afgesproken dat ik hem voortaan zou bellen om informatie door te spelen over verreden slalomwedstrijden. Zo geschiedde. En las ik nadien in de kolommen in de sportpagina’s de teksten van WR, duidelijk gebaseerd op de info die ik had doorgebeld over de slalomkunsten van alle rijders, en ook mijn broer Paul.

Een beetje gedreven door mijn medewerking aan Netegids, was ik ondertussen ook voor het clubblad van Renstal Excelsior tekstjes beginnen schrijven over de slalomwedstrijden. Omdat de verantwoordelijke van het clubblad er niet toe kwam om alle teksten te verwerken – kopies te trekken op basis van een stencil, samen te nieten in een kaftje -, en het driemaandelijks blaadje niet/nooit verscheen, stelde voorzitter Jos Knops voor dat mijn broer en ikzelf de redactie en het vervaardigen van het clubblad voor onze rekening zouden nemen. Het liet mijn broer Paul-de-cartoonist toe om mijn stukken te illustreren met tekeningen van auto’s van Excelsior-rijders – ik herinner mij de ‘koekskes’ Opel van Eddy Joosen of de BP Opel Kadett van Flory Roothaert – en voor de interviews en bepaalde rubrieken vond ik, jawel, inspiratie bij Echappement…

In dezelfde periode bestond in Motoren Sport/Sport Moteur de rubriek “het leven in de clubs” waarvoor de Belgische renstallen instonden voor het aanleveren van teksten en uitslagen. Voor Excelsior werd ik gevraagd de nodige informatie door te spelen en dat gebeurde via André Van Steenkiste, dan zogenaamd de hoofdredacteur van de Vlaamse versie van Sport Moteur. Wat ik niet wist, is dat Van Steenkiste, zoals overigens nog andere autojournalisten, beroepshalve op één of ander Ministerie werkte en zich voldoende kon vrijmaken om in te gaan op één van de vele uitnodigingen voor het in het buitenland bijwonen van persvoorstellingen van nieuwe auto’s, maar niet full time werkte op de redactie van Motoren Sport.

Ik kende AVS van de foto’s in Motoren Sport waarbij hij poseerde in één of ander nieuw model en beschouwde hem aldus een beetje als een onbereikbare God-de-Vader. Hij woonde aan de Mechelse Veemarkt en gezien mijn oudste zus daar ook een appartement betrok, was het evident dat ik de teksten voor ‘het leven in de clubs’ bij hem in de bus stopte en op een gegeven ogenblik er zelfs aanbelde. Het blijft beeldspraak, maar ik zie nog altijd God-AVS de voordeur openen, neerdalende van op een wolk en mij goedkeurend toeknikkend, bedankende voor de teksten.
Om één of andere reden – geraakten die teksten vanuit Mechelen wel op de Brusselse redactie? – bleef het tevergeefs wachten op het zien verschijnen van Leven in de Clubs en daarop besloot kersvers Excelsior-voorzitter Frank Nietvelt om via Bruno Van Mieghem, dan eindredacteur van de Nederlandstalige editie van Rétro, om een inlassing, mét de logo’s van Excelsior-sponsors Castrol, Stella Artois, Rizla en De Smet&Van Diest, in Rétro te financieren. Mét door mij aangeleverde korte stukjes.
Niet veel later vroeg Van Mieghem mij of ik meer voor Rétro wou schrijven over Vlaamse slalompiloten en niet alleen Excelsior-leden. Omdat mijn vader vaststelde dat al mijn arbeid niet werd verloond – ik bracht mijn teksten met de trein naar de drukkerij ergens in Brussel aan de Naamse Poort – kreeg ik het verbod om nog verdere medewerking te verlenen aan Rétrorganisation. Ik was dan net afgestudeerd aan de Antwerpse PIVA-hotelschool en onder invloed van mijn tante, die dan Huis Constant runde, en het had over ‘het wordt een moeilijke tijd, de werkloosheid gaat nog toenemen”, was ik ingegaan op het aanbod om in Resto GB in Lier aan de slag te gaan.

Van journalistiek was er vanaf dan in de verste verte nog sprake. Als vaste compagnon van mijn broer Paul in de campagne in het BK Circuit in 1976 met de Autobianchi A112 Abarth, wierp ik mij wél steeds meer op als diens, zeg maar, manager/spin doctor, zoals het bedenken van de schuilnaam ‘’Toucheur” of het in de media lanceren van het zotte (en gefantaseerde) plan om zijn titelkansen te gaan verdedigen in een (nooit bestaande) Toyota Celica, hetgeen wél de krantenkoppen haalde.
Hoe dan ook, in 1977 vertoefde en werkte ik in een Zwitsers hotel en was ik allesbehalve nog bezig met autosport. Zo herinner ik mij dat ik op een bepaalde maandag in een krantenkiosk het uitstekende Powerslide/Motorsport Aktuell zag liggen en daarin las dat Joosen-Andruet de 24 Hours Spa-Francorchamps hadden gewonnen. Alles was voorzien dat ik na een pauze – en technisch werkloos – zou terugkeren naar Zwitserland om er in een ander hotel tijdens de wintermaanden te gaan werken.
Mijn vader, bezorgd dat de jongste van de vijf kinderen een vaste job zou vinden, kwam ondertussen aanzwaaien met een jobaanbieding die hij in een reclameblaadje had gevonden: rusthuis zoekt verantwoordelijke keuken. Ja, een vast inkomen, goed voor je later pensioen, enz. Om een lang verhaal kort te houden: ik ging in op het aanbod, ging solliciteren, kwam als eerste uit de selectie en… haakte af voor een tweede termijn in Zwitserland. Ik sloot het Zwitserse hoofdstuk af en was tijdig back home om de finale van de Simca Cup te beleven op Circuit Zolder en had daar vooral oog voor bijna-kampioen Manu Goossens, titelrivaal Valentin Simons en andere Excelsior-rijders zoals Freddy Fruhauf, Jacques Larou en Roger Vandezande. Logischerwijze ging ik elke week opnieuw naar de vergaderingen van Excelsior en vernam daar dat Walter Rombauts een nieuw autoblad ging lanceren, dat heette Keesing Auto Magazine en zou worden voorgesteld tijdens het Autosalon in 1978.

Het was ergens in de maand maart dat ik het tijdens de traditionele clubvoorstelling van de Excelsior-rijders en hun auto’s bij Rizla in Wilrijk met Walter Rombauts kon hebben over ‘de Keesing’ en omdat ik blijkbaar bleef aandringen om iets te mogen schrijven over de Simca Cup, kreeg ik van hem de opdracht verslag te brengen over de openingsmanche van de merkencup op het Luxemburgse Colmarberg-circuit. Het werd een eerste kort stukje, ondertekend door KW… Daaropvolgend mocht ik ook schrijven over andere merkenraces en de Formule Ford, waarin een zekere Thierry Boutsen domineerde.
Omdat mijn broer Paul zich toen al bezighield met de familiale juwelierszaak kwam er geen vervolg aan de avonturen op circuit en het was pas in ’78 dat hij inging op het aanbod van Baudoin ‘Corzy’ Corbiau om in de 24 Uren van Zolder een tweede A112 te delen met Mauriën en Gilaude, naast het in ’77 winnende trio Corbiau-Frahm-Vermeersch. Geïnspireerd door wat ik had gelezen (en vooral gezien) over perspresentaties, bracht ik de twee auto’s en de zes rijders in Deurne op de parking van garage Corzy samen voor een passende ‘persfoto’, die bij het stuk over de 24 Uren van Zolder verscheen in Gazet van Antwerpen!

Op het ogenblik dat ik vele jaren later bij RACB, Kronos Racing en nadien Honda Motorsport de pers te woord stond, heb ik meer dan eens teruggedacht aan de jaren van Toucheur en de Autobianchi…
Ik voelde de drang om meer te schrijven en, ja, eens te meer gedreven door wat ik allemaal had gelezen in Echappement zoals ‘la vie dans les courses’, stelde ik een reportage voor over amateurs in de autosport. Dat werden onder de kop ‘Autosport is mijn hobby’ vier pagina’s vraag & antwoord met zes rijders die in zes verschillende disciplines aan de slag gingen. Een stuk dat blijkbaar goed onthaald werd en de redactie had doen begrijpen dat ik een ander soort journalistiek bedreef, met veel aandacht voor de mens achter de machine.

Daarop volgde in het laatste nummer van de maand december een andere Q & A met alle Belgische omloopkampioenen ‘We Are The Champions’, Michel De Deyne, Alain Semoulin, Claude Bourgoignie en Albert Vanierschot en kaderstukjes waarin naar hun mening werd gevraagd over ‘de Belg in het verkeer’, de snelheidsbeperkingen, hun lievelingsauto. Ik maakte steeds meer deel uit van de redactie en mijn naam werd toegevoegd in de colofon/kernredactie.
Oh ja. Ik werkte nog altijd als hoofd van de keuken in dat rusthuis en kroop meer dan eens in mijn bureeltje om zogezegd de menu’s voor de komende week uit te tikken, terwijl ik in werkelijkheid teksten voor Keesing Auto uitschreef. Ik voelde steeds meer aan dat journalistiek mij écht lag, verslond elke week het nieuw gelanceerde Auto Hebdo (met een Belgische bijlage) en keek op naar gerenommeerde Belgische perslui die ervoor schreven, zoals Christian Lahaye, Pierre Van Vliet, Michel Lizin.

Veiligheidshalve verruilde ik dat rusthuis voor ander vast werk in de Mechelse Galerie Anspach, waarvan het restaurant enkel een service had op de middag en, vooral, op zondag gesloten was. Na mijn dagtaak ging het aldus elke namiddag richting de Keesinglaan. Om mij op de redactie te tonen, te overleggen wat ik nog mocht aanbrengen en hier en daar een handje toe te steken. In het kader van de 24 Uren van Spa schreef ik in 1979 voor de eerste keer randstukjes en had ik het over het doen en laten van Dirk Vermeersch, de derde man op de tweede Juma BMW die hij deelde met Bruno Giacomelli en Umberto Grano.

Ergens in augustus kreeg ik op de redactie de boodschap dat ik op een bepaalde dag, op een bepaald uur ten huize van Walter Rombauts, hoofdredacteur, werd verwacht. Omdat ik van mezelf niet was overtuigd dat ik voldoende goed was in wat ik deed, vreesde ik voor een soort bolwassing of erger, bedanking voor bewezen diensten. Onterecht.
Voor verslagen en informatie allerhande over provinciale autosport kon men toen terecht in het qua drukwerk en look zeer bescheiden Marathon News. Drijvende kracht Coene uit Brugge tekende met zijn rode dubbeldekker present op alle provinciale wedstrijden en kreeg alzo nog meer binding met de provinciale autosport. Marathon News was een uitloper van een Marathon-rit doorheen de Sahara, Paris-Dakar avant la lettre, waarover… Marathon News berichten bracht!

Toen de directie van Keesing vernam dat Coene met zijn Marathon News de boeken had moeten neerleggen, zag men een mogelijkheid om die markt in te palmen en hiertoe werd de rubriek ‘provinciale autosport’ in het leven geroepen. Om die pagina’s te vullen, werd ik dus door Rombauts gevraagd om mij over die rubriek te ontfermen. Extra werk dat mij toeliet het vak te leren en mij binnen de redactie steeds meer te positioneren.
In het septembernummer verschenen zo onder de kop ‘provinciale autosport’ verslagjes van de slaloms van Reynaert, Landen, Zoutleeuw, Kempen, Koksijde en Overpelt, de sprint van Oudenburg, tussenstanden van de provinciale én regionale kampioenschappen, een voorstelling van EAC Meetjesland uit Eeklo én de 24 Uren van Zolder, dit alles rijk geïllustreerd met passende foto’s! Ik had mij toen niet kunnen inbeelden dat deze reportages, en de verkregen persoonlijke contacten mij zovele jaren later als RACB-topman zouden helpen om precies de noden van de provincies, regio’s, VAS en ook het Waalse ASAF beter te begrijpen…

Op professioneel vlak speelden de omstandigheden een beslissende rol om van journalistiek mijn beroep te maken. Het restaurant van Galerie Anspach werd gesloten, maar ik behield mijn contract/loon en kreeg de keuze om dat te honoreren in een andere afdeling…
Ik moet hierbij vooreerst de film terugdraaien naar de hotelschool. Na het eerste jaar keuken/zaal diende men een richting te kiezen en tijdens een oudercontact suggereerde studiemeester Van Hoof op basis van wat de verschillende praktijkleraars hadden geoordeeld dat mijn plaats in de zaal was én niet bij de keukenbrigade.
Waarom? Dat heb ik nooit geweten, maar op basis van wat ik vele jaren later als pré-press officer zag en hoorde, moet men in de toenmalige Charlottalei, waar de hotelschool tot in 1975 gehuisvest was, hebben aangevoeld dat ik eerder mijn draai zou vinden in de zaalbrigade, handelende tegenover een publiek – zeg maar, het toen nog met veel show aan tafel flamberen, het voor de ogen van klanten dresseren van in de keuken klaargemaakte gerechten – en niét opgesloten te zitten in een keuken…
Terug naar Galerie Anspach? Precies omdat ik meer dan eens vanuit het restaurant met een zeker ontzag opkeek naar de vertegenwoordigers die in pak-das – één van hen was Luc De Cock, toen nog voor Imperial Salami – een koffie kwamen nuttigen, en ik onbewust de stem hoorde van studiemeester Van Hoof, voelde ik mij steeds meer geroepen om het kokspak af te werpen.
Ik liet daarom de directie van Anspach weten dat ik in de meubelafdeling/verkoop wou gaan werken. Ja! Meubelafdeling! Mijn eerste werkdag beleefde ik evenwel op een Mechelse industriezone – daar waar nu BMW Juma staat! – om er meubeltjes te helpen laden voor transport! Die avond tikte ik, zonder medeweten van mijn ouders, mijn ontslagbrief en trok daarop zoals vaak naar de redactie van Keesing Auto Magazine. Men zat daar blijkbaar niet op mij te wachten, maar niettemin zette mijn plotse vrijheid de vaste redactie aan het denken en één dag later kreeg ik tijdens een snelle hap met redactiesecretaris André Vrijdag te horen dat men mij weliswaar op zelfstandige basis wou aannemen!

Stukjes blijven schrijven over de éénzitterij – Boutsen, Theys, Duez -, de Provinciale Autosport verzorgen en voor de rest helpen met allerlei taken, zoals de tweedehandsprijzen updaten, het fotoarchief bijwerken en helpen bij het ophalen/terugbrengen van perswagens. Gedreven door enig opportunisme – iets wat ik later meermaals herhaalde om op mijn beurt de journalistiek achter mij te laten – verruilde ik alzo eind 1979 het restaurantwezen voor een full time job als journalist/redacteur!
Over het vervolg schreef ik elders op deze pagina’s de evolutie als journalist, co-eigenaar van een eigen autosportblad, voorzitter van de Belgian Racing Press Club, nogmaals dankzij Walter Rombauts medewerker voor, jawel, Gazet van Antwerpen en tenslotte de overstap naar Mazda Kronos, Peugeot 206 WRC, Honda WTCC en zelfs baas van ‘den RACB’!

Dat ik al in ’81, amper twee jaar na mijn debuut bij ‘de Keesing’, de organisatie waarnam van een grote trip naar Knokke voor een testrit van een zevental gloednieuwe dieselauto’s, met uitgestippelde bolleke-pijl – het woord Waze bestond nog niet! – en een stop en vooraf geregelde lunch in de Siphon in Damme – met een fotosessie aan de Damse Vaart – zegt veel over de latere keuze om het journalisme te verruilen voor een job aan de andere kant van de barrière.
En, ja, ik was niet de enige die dat aanvoelde. Zeven jaar verder werd ik immers door de Belgische Renault-importeur gevraagd om assistent public relations te worden. Het zou nog tien jaar duren vooraleer ik de stap zette en de stroper besloot om boswachter te worden…
(*) Jules Janin – De journalistiek leidt tot alles — mits men er uit komt…
